BOINNK!!!

Silvia Videler
Subscribe

De Schande van ‘Oranje’.

april 27, 2012 By: silviavideler Category: Diverse artikelen

Vlucht voor Volk en Vaderland

Het schandelijk dagboek der Oranje Englandvaarders

Als op dinsdag 6 september 1898 de dan 18-jarige Wilhelmina van Oranje tot koningin van Nederland gekroond wordt, zweert ze daarbij plechtig dat ze ”de grondwet steeds zal onderhouden en handhaven”.  Het is deze eed die ze in mei 1940 op de meest verraderlijke en schandelijke wijze zal breken met haar lafhartige vlucht naar Engeland. Niet Landsbelang maar eigenbelang prevaleerde!

Door: F.G.T.P. Santrouschitz

SIS/MI6 en GSIII, geheime diensten in actie!

De Eerste Wereldoorlog was in 1918 ten einde gekomen en het (niet geheel) neutrale Nederland nam zijn positie in het hevig ontkroonde Europa weer in. In hoeverre Nederland als een betrouwbare bondgenoot beschouwd kon of gekneed moest worden bij ’t kimmend oorlogsgeweld was voor het Engelse wereldrijk een onzekere maar alles bepalende factor. De in Nederland opererende Britse Secret Intelligence Service (SIS c.q. MI6) bleef dan ook in het naoorlogse volledig opgetuigd en operationeel actief. Naast eigen agenten maakte ze dankbaar gebruik van de (grotendeels door Engeland gefinancierde) Nederlandse geheime dienst, de GSIII. Deze GSIII(-A) werd in september 1913 (mede) opgericht door kapitein Hendrik Anton Cornelis Fabius en cavalerieofficier Carel Albert van Woelderen als inlichtingendienst van de Nederlandse Generale Staf. De afdeling die zich met contraspionage bezig hield GSIII(-B) stond onder leiding van Cornelis Schelto Sixma baron van Heemstra.

De samenwerking en verbinding tussen de MI6 en de GSIII was zo nauw en verweven dat amper gesproken kon worden van een onafhankelijk opererende Nederlandse inlichtingendienst. Tussen 1914 en 1920 financierde de MI6 Van ’t Sant (in casu de GSIII) met een bedrag van 25.000 Britse ponden (met een huidige tegenwaarde van ongeveer een slordige 115.000 €uro), beduidend méér dan de Nederlandse overheid voor deze dienst aan budget beschikbaar gesteld had in diezelfde periode! In wezen kon de GSIII beschouwd worden als onlosmakelijk onderdeel, zogezegd de ‘vastelandtak’, van de MI6. Het hoofdkwartier van MI6 was gevestigd aan de Boompjes 76 in Rotterdam onder de dekmantelfirma ‘Uranium Steamship Company’ – USC. Deze maatschappij zelf was in haar kern al te beschouwen als een schaduwbedrijf, opgezet door kapitaalkrachtige Engels-Joodse financiers. Het vervoeren van Joodse landverhuizers was haar ‘core-business’, handelsvracht was bijzaak. De USC dreef voor dat doel in Rotterdam zelfs een hotel dat geschikt was om 2.100 landverhuizers – hun ‘handel’ – tussentijds te herbergen. Richard Bolton Tinsley was naast vertegenwoordiger van deze Engelse scheepvaartmaatschappij óók de chef van de inlichtingendienst die onderdak gaf aan een tiental agenten.

Eén van hen was Sigismund Payne Best die voor zijn geheime dienst carrière tussen 1908 en 1913 in München gestudeerd had. Gedurende WOI was hij actief in Frankrijk, Nederland en België. Vanuit een Limburgs Café coördineerde hij het spionagenetwerk in het door Duitsland bezette België. Dit netwerk bestond uit meer dan duizend personen en was bekend onder de naam ‘La Dame Blanche’. Alle verkregen inlichtingen bereikten Engeland via de lijn Best/Tinsley. Payne Best keerde in 1919 naar Nederland terug, trouwde in 1920 met een gefortuneerde Nederlandse en bleef er wonen. Naast zijn eigen, vaak schimmige en onduidelijke zaken, hield hij zich actief bezig met inlichtingenwerk. Onder supervisie van kolonel Claude Edward Marjoribanks Dansey (waarmee hij binnen MI6 in 1917 nauw samengewerkt had) richtte Best in 1936 de Continental Trade Service op (ook wel Pharmisan genoemd, een bedrijf dat handelde in farmaceutische producten). Ook dit bedrijf was een dekmantelbedrijf, een onderafdeling van MI6 met de naam ‘Z-organisation’. Deze tak stond onder commando van Claude Dansey. De Nederlandse afdeling ervan die gevestigd was aan de Nieuwe Uitleg 19 in Den Haag stond onder supervisie van Payne Best.

Na het afscheid van kapitein Fabius nam Carel Albert van Woelderen tijdelijk de bevelvoering over van de GSIII. Van 1 augustus tot 30 september 1919 trad hij op als een soort van tussenpaus waarna generaal-majoor Johan Willem van Oorschot de scepter overnam. Van Woelderen werkte vanaf oorlogsbegin samen met de door kapitein Fabius aangeworven François van ’t Sant, bij het uitbreken van WOI chef van de Rotterdamse rivierpolitie. Van ’t Sant stond op zijn beurt weer in nauw contact met Richard Bolton Tinsley, in dagelijks leven zijn bevriende overbuurman. Beiden woonden aan de Heemraadssingel, Van ’t Sant op nummer 302b, Richard Bolton Tinsley daar schuin tegenover op nummer 203. Beiden hadden op 23 februari 1911 al eens beroepsmatig de degens gekruisd in de zogenoemde ‘Volturno-affaire’. Eén van de schepen van de USC, de SS Volturno, had een 52-tal Russisch-Joodse landverhuizers aan boord die de toegang tot Amerika geweigerd was. Het was Tinsley’s opdracht deze retourvracht in Rotterdam aan te laten landen op doorreis naar Rusland terwijl Van ’t Sant de opdracht had dit te voorkomen. Van t Sant slaagde in zijn opdracht en Tinsley werd daarvoor in maart 1911 de wacht aangezegd. Als ongewenste vreemdeling moest hij het land verlaten, iets dat hij na enkele weken ook daadwerkelijk deed maar niet zonder beroep aan te tekenen. Invloedrijke achtergrondspelers maakten op het hoogste niveau de uitzetting van deze inlichtingenofficier ongedaan. Door tussenkomst van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken én koningin Wilhelmina persoonlijk kon Tinsley in juni 1911 zijn werkzaamheden in Nederland nagenoeg ongemoeid hervatten.

 

Lees (veel) meer verder op: http://tegenlichters.wordpress.com/2012/04/13/vlucht-voor-volk-en-vaderland/

Comments are closed.